Validiteit, proportionaliteit, doelmatigheid en doeltreffendheid van ophogingen

Wanneer een burger een schuld heeft bij de overheid, blijft het zelden bij het oorspronkelijke bedrag. Vaak komen daar extra kosten bovenop, zogenoemde ophogingen. Juist deze ophogingen staan steeds meer ter discussie, omdat ze kunnen bijdragen aan onnodige en ongewenste schuldenoploop, vooral bij mensen die al financieel kwetsbaar zijn. Tegelijkertijd vervullen ze binnen het incassobeleid een duidelijke functie, zoals het dekken van kosten, het stimuleren van betaling en het compenseren van vertraging.

Om meer zicht te krijgen op de werking van ophogingen en de mate waarin zij bijdragen aan onnodige en ongewenste schuldenoploop heeft het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gevraagd om onderzoek naar de wijze waarop CRI-partijen (partijen in het samenwerkingsverband Clustering Rijksincasso) en lokale overheden ophogingen inzetten, hoe de inzet uitwerkt en wat de mogelijkheden zijn om onnodige en ongewenste oploop meer te voorkomen. Dit onderzoek is uitgevoerd door de Hogeschool Utrecht en Panteia.

Spanning in beleidskader

Binnen het beleid bestaat een duidelijke spanning tussen twee doelen: het innen van schulden en het voorkomen van verdere schuldenoploop. In de praktijk kunnen ophogingen deze doelen doorkruisen. Voor mensen met beperkte financiële middelen leiden extra kosten regelmatig tot een verdere toename van schulden, zelfs wanneer zij bereid zijn te betalen of zich aan afspraken houden.

Grote verschillen tussen overheidsorganisaties

De toepassing van ophogingen verschilt sterk tussen overheidsorganisaties. Regels, bedragen en werkwijzen lopen uiteen, waardoor vergelijkbare situaties tot verschillende uitkomsten kunnen leiden. Dit gebrek aan uniformiteit maakt het systeem complex en lastig te begrijpen voor burgers.

Aansluiting op beleidsdoelen

De onderbouwing van ophogingen sluit niet altijd goed aan bij de beleidsdoelen. Kosten zoals rente en automatische verhogingen kunnen zorgen voor een voortdurende schuldgroei. Betalingsprikkels werken bovendien vooral voor mensen die kunnen betalen, en minder voor mensen zonder financiële ruimte. Ook ontbreekt een duidelijke afbakening van wat precies wordt verstaan onder “onnodige schuldenoploop”.

Daarnaast is er beperkt inzicht in de kosten en effecten van ophogingen. Het blijft onduidelijk in hoeverre zij daadwerkelijk bijdragen aan beter betalingsgedrag. Tegelijkertijd blijken alternatieven, zoals kosteloze betalingsherinneringen, effectief te zijn en bij te dragen aan het voorkomen van verdere schulden.

Conclusies en aanbevelingen

  • Er is een fundamentele spanning tussen het innen van schulden en het voorkomen van schuldenoploop.

  • Ophogingen kunnen leiden tot extra schulden, vooral bij financieel kwetsbare groepen.

  • Verschillen tussen organisaties zorgen voor ongelijkheid en onduidelijkheid.

  • Een samenhangend en overkoepelend beleidskader ontbreekt.

  • Inzicht in kosten en effectiviteit is beperkt.

  • Sommige ophogingen zijn mogelijk niet in verhouding tot de oorspronkelijke schuld.

Om deze knelpunten aan te pakken is het van belang om:

  • Te werken aan één duidelijk en uniform kader voor ophogingen.

  • Ophogingen die automatisch schulden laten oplopen te beperken.

  • Meer rekening te houden met de betaalcapaciteit van burgers.

  • Sterker in te zetten op preventie, zoals kosteloze herinneringen.

  • Beter inzicht te ontwikkelen in kosten, effecten en rechtvaardigheid.

Je leest het hele rapport hier.

De kabinetsreactie op het rapport lees je hier.